Terug naar 2 Samuël 6
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 6:7

En de toorn van de HEER ontstak tegen Uzza, en God sloeg hem daar om zijn vergrijp; en hij stierf daar bij de ark van God.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 6 — omringende verzen

2

En David maakte zich op en trok met al het volk dat bij hem was, vanuit Baäle-Juda, om vandaar de ark van God op te halen, bij welke de naam uitgeroepen wordt, de naam van de HEER der heerscharen die tussen de cherubs troont.

3

En zij plaatsten de ark van God op een nieuwe wagen, en voerden haar uit het huis van Abinadab dat op de heuvel was; en Uzza en Ahjo, de zonen van Abinadab, bestuurden de nieuwe wagen.

4

En zij voerden haar uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel was, en begeleidde de ark van God; en Ahjo ging voor de ark uit.

5

En David en het ganse huis van Israël speelden voor de HEER op allerlei instrumenten van dennenhout, op harpen en op luiten en op tamboerijnen en op rinkelbellen en op cimbalen.

6

En toen zij bij de dorsvloer van Nacon kwamen, strekte Uzza zijn hand uit naar de ark van God en greep haar vast, want de ossen struikelden.

7

En de toorn van de HEER ontstak tegen Uzza, en God sloeg hem daar om zijn vergrijp; en hij stierf daar bij de ark van God.

8

En David was ontstemd, omdat de HEER een breuk geslagen had aan Uzza; en men noemde die plaats Perez-Uzza, tot op deze dag.

9

En David was bevreesd voor de HEER op die dag, en zeide: Hoe zal de ark van de HEER tot mij komen?

10

Zo wilde David de ark van de HEER niet tot zich brengen in de stad van David; maar David bracht haar ter zijde in het huis van Obed-Edom, de Gittiet.

11

En de ark van de HEER bleef drie maanden in het huis van Obed-Edom, de Gittiet; en de HEER zegende Obed-Edom en zijn ganse huisgezin.

12

En het werd aan koning David boodgeschapt: De HEER heeft het huis van Obed-Edom gezegend, en alles wat hem toebehoort, om de ark van God. Zo ging David heen en bracht de ark van God met blijdschap uit het huis van Obed-Edom omhoog naar de stad van David.