Terug naar Amos 9
VSV
Statenvertaling

Amos 9:3

Al verbergen zij zich op de top van de Karmel, Ik zal hen daar zoeken en vandaar wegnemen; al zijn zij verborgen voor Mijn ogen op de bodem van de zee, vandaar zal Ik de slang gebieden, en die zal hen bijten.

Kruisverwijzingen

Context

Amos 9 — omringende verzen

1

Ik zag de HEER staan op het altaar, en Hij zei: Sla de deurpost zodat de drempels schudden; en houw hen af bij het hoofd, allen tezamen; en wie van hen overblijven zal Ik doden met het zwaard. Wie van hen vlucht, zal niet ontkomen, en wie van hen ontsnapt, zal niet worden gered.

2

Al graven zij door tot in de hel, vandaar zal Mijn hand hen halen; al klimmen zij op naar de hemel, vandaar zal Ik hen neerhalen.

3

Al verbergen zij zich op de top van de Karmel, Ik zal hen daar zoeken en vandaar wegnemen; al zijn zij verborgen voor Mijn ogen op de bodem van de zee, vandaar zal Ik de slang gebieden, en die zal hen bijten.

4

Al gaan zij in gevangenschap voor hun vijanden uit, vandaar zal Ik het zwaard gebieden, en dat zal hen doden; en Ik zal Mijn ogen op hen richten ten kwade en niet ten goede.

5

De Heere HEER der heerscharen is Hij die het land aanraakt, zodat het smelt, en allen die daarin wonen treuren; en het zal geheel oprijzen als een vloed, en verzinken als door de vloed van Egypte.

6

Hij is het die Zijn opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn gewelf op de aarde heeft gegrondvest; Hij die de wateren van de zee roept en ze uitstort over het aangezicht der aarde — HEER is Zijn naam.

7

Zijt gij voor Mij niet als de kinderen der Ethiopiërs, o kinderen Israëls? zegt de HEER. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit het land Egypte, en de Filistijnen uit Kaftor, en de Syriërs uit Kir?

8

Zie, de ogen van de Heere HEER zijn op het zondige koninkrijk, en Ik zal het van het aangezicht der aarde wegvagen; behalve dat Ik het huis van Jakob niet geheel zal wegvagen, zegt de HEER.