Terug naar Daniël 2
VSV
Statenvertaling

Daniël 2:27

Daniël antwoordde in de tegenwoordigheid van de koning en zeide: Het geheim dat de koning vraagt, kunnen de wijzen, de sterrenwichelaars, de geleerden en de waarzeggers de koning niet bekendmaken;

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 2 — omringende verzen

22

Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet wat in de duisternis is, en het licht woont bij Hem.

23

Ik dank U en prijs U, o God van mijn vaderen, die mij wijsheid en kracht hebt gegeven, en mij thans bekendgemaakt hebt wat wij van U verlangden; want U hebt ons de zaak van de koning bekendgemaakt.

24

Hierom ging Daniël naar Arioch, die de koning had aangesteld om de wijzen van Babel te vernietigen; hij ging en zeide aldus tot hem: Vernietig de wijzen van Babel niet; breng mij voor de koning, en ik zal de uitleg aan de koning bekendmaken.

25

Toen bracht Arioch Daniël in allerijl voor de koning en zeide aldus tot hem: Ik heb een man gevonden uit de gevangenen van Juda, die de uitleg aan de koning zal bekendmaken.

26

De koning antwoordde en zeide tot Daniël, wiens naam Beltsazar was: Bent u in staat mij de droom die ik gezien heb, en de uitleg ervan, bekend te maken?

27

Daniël antwoordde in de tegenwoordigheid van de koning en zeide: Het geheim dat de koning vraagt, kunnen de wijzen, de sterrenwichelaars, de geleerden en de waarzeggers de koning niet bekendmaken;

28

Maar er is een God in de hemel die geheimen openbaart, en die de koning Nebukadnezar bekendmaakt wat er in de laatste dagen zal geschieden. Uw droom en de visioenen van uw hoofd op uw bed zijn deze;

29

Wat u betreft, o koning, uw gedachten kwamen in uw geest op uw bed wat er hierna zou geschieden; en Hij die geheimen openbaart, maakt u bekend wat er zal geschieden.

30

Maar wat mij betreft, dit geheim is mij niet geopenbaard vanwege enige wijsheid die ik boven alle levenden zou bezitten, maar opwille van hen die de uitleg aan de koning zullen bekendmaken, en opdat u de gedachten van uw hart moogt kennen.

31

U, o koning, zaagt een groot beeld. Dit grote beeld, waarvan de glans uitnemend was, stond voor u, en zijn gedaante was ontzagwekkend.

32

Het hoofd van dit beeld was van fijn goud, zijn borst en zijn armen van zilver, zijn buik en zijn lendenen van koper,