Terug naar Daniël 6
VSV
Statenvertaling

Daniël 6:21

Toen zei Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid.

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 6 — omringende verzen

16

Toen gebood de koning, en men bracht Daniël en wierp hem in de kuil der leeuwen. En de koning sprak en zei tot Daniël: Uw God, Dien u voortdurend dient, Die zal u verlossen.

17

En een steen werd aangebracht en gelegd op de opening van de kuil; en de koning verzegelde hem met zijn eigen zegelring en met de zegelring van zijn heren, opdat het voornemen aangaande Daniël niet veranderd zou worden.

18

Daarna ging de koning naar zijn paleis en bracht de nacht vastende door; geen muziekinstrumenten werden voor hem gebracht, en zijn slaap week van hem.

19

Toen stond de koning zeer vroeg in de morgen op en spoedde zich naar de kuil der leeuwen.

20

En toen hij bij de kuil gekomen was, riep hij met een klaaglijke stem tot Daniël; en de koning sprak en zei tot Daniël: O Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, Dien u voortdurend dient, u kunnen verlossen van de leeuwen?

21

Toen zei Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid.

22

Mijn God heeft Zijn engel gezonden en de muilen der leeuwen gesloten, zodat zij mij geen kwaad gedaan hebben; want voor Hem is onschuld in mij gevonden, en ook voor u, o koning, heb ik geen kwaad gedaan.

23

Toen was de koning uitermate verblijd over hem en gebood dat men Daniël uit de kuil zou halen. En Daniël werd uit de kuil gehaald, en er werd geen enkel letsel aan hem gevonden, omdat hij in zijn God geloofd had.

24

En de koning gebood, en men bracht die mannen die Daniël beschuldigd hadden, en men wierp hen in de kuil der leeuwen, hen, hun kinderen en hun vrouwen; en de leeuwen overmachtigden hen en vermaakten al hun beenderen voordat zij de bodem van de kuil bereikt hadden.

25

Toen schreef koning Darius aan alle volken, natiën en talen die op de ganse aarde wonen: Vrede zij u vermenigvuldigd.

26

Ik stel een gebod, dat men in alle gebieden van mijn koninkrijk beve en vreze voor de God van Daniël; want Hij is de levende God en bestendig in eeuwigheid, en Zijn koninkrijk zal niet te gronde gaan, en Zijn heerschappij zal zijn tot het einde.