Daniël 8:2
“En ik zag in een gezicht; en het geschiedde, toen ik zag, dat ik in Suzan was, het paleis dat in de provincie Elam ligt; en ik zag in een gezicht, en ik was aan de rivier de Ulai.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 8 — omringende verzen
In het derde jaar van de regering van koning Belsazar verscheen mij een gezicht, mij, Daniël, na hetgeen mij in het begin verschenen was.
En ik zag in een gezicht; en het geschiedde, toen ik zag, dat ik in Suzan was, het paleis dat in de provincie Elam ligt; en ik zag in een gezicht, en ik was aan de rivier de Ulai.
Toen hief ik mijn ogen op en zag, en zie, er stond bij de rivier een ram die twee horens had; en de twee horens waren hoog, maar de ene was hoger dan de andere, en de hoogste was de laatste opgekomen.
4Ik zag de ram stoten naar het westen en naar het noorden en naar het zuiden, zodat geen dieren voor hem konden standhouden en er niemand was die uit zijn hand kon redden; maar hij deed naar zijn wil en maakte zich groot.
5En terwijl ik dit beschouwde, zie, daar kwam een geitenbok van het westen over de gehele aarde, die de grond niet aanraakte; en de bok had een opvallende horen tussen zijn ogen.
6En hij kwam tot de ram die twee horens had, dien ik bij de rivier had zien staan, en rende op hem toe in de woede van zijn kracht.
7En ik zag hem dicht bij de ram komen, en hij was verbitterd tegen hem en sloeg de ram en brak zijn twee horens; en er was geen kracht in de ram om voor hem stand te houden, maar hij wierp hem ter aarde en vertrapte hem; en er was niemand die de ram uit zijn hand kon redden.