Deuteronomium 11:30
“Zijn zij niet aan de andere zijde van de Jordaan, langs de weg waar de zon ondergaat, in het land van de Kanaänieten, die wonen in de vlakte tegenover Gilgal, naast de eikenwouden van More?”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 11 — omringende verzen
Niemand zal stand kunnen houden voor u, want de HEER uw God zal angst en vrees voor u leggen op het hele land waarover u trekt, zoals Hij tot u gesproken heeft.
26Zie, ik leg u heden een zegen en een vloek voor.
27Een zegen, als u de geboden van de HEER uw God gehoorzaamt, die ik u heden gebied.
28En een vloek, als u de geboden van de HEER uw God niet gehoorzaamt, maar afwijkt van de weg die ik u heden gebied, om andere goden achterna te gaan die u niet gekend hebt.
29En het zal geschieden, wanneer de HEER uw God u gebracht heeft in het land waarheen u trekt om het te bezitten, dat u de zegen zult uitspreken op de berg Gerizim en de vloek op de berg Ebal.
Zijn zij niet aan de andere zijde van de Jordaan, langs de weg waar de zon ondergaat, in het land van de Kanaänieten, die wonen in de vlakte tegenover Gilgal, naast de eikenwouden van More?
Want u zult de Jordaan overtrekken om in te trekken en het land te bezitten dat de HEER uw God u geeft, en u zult het bezitten en erin wonen.
32En u zult erop toezien dat u al de inzettingen en verordeningen doet die ik u heden voorleg.