Terug naar Deuteronomium 14
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 14:26

En gij zult dat geld besteden aan alles wat uw ziel begeert, aan runderen, of aan schapen, of aan wijn, of aan sterke drank, of aan al wat uw ziel verlangd: en gij zult daar eten voor het aangezicht van de HEER uw God, en gij zult u verheugen, gij en uw huisgezin,

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 14 — omringende verzen

21

U mag niets eten wat vanzelf gestorven is; u zult het geven aan de vreemdeling die binnen uw poorten is, dat hij het ete, of u mag het verkopen aan een buitenlander; want u bent een heilig volk voor de HEER uw God. U zult een geitenbokje niet koken in de melk van zijn moeder.

22

U zult werkelijk tienden geven van al de opbrengst van uw zaad, dat het veld jaar op jaar voortbrengt.

23

En gij zult eten voor het aangezicht van de HEER uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen om Zijn naam daar te vestigen, de tiende van uw koren, van uw wijn en van uw olie, en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee; opdat gij leert de HEER uw God altijd te vrezen.

24

En indien de weg te lang voor u is, zodat gij het niet kunt dragen; of indien de plaats te ver van u is, die de HEER uw God zal uitkiezen om Zijn naam daar te vestigen, wanneer de HEER uw God u gezegend heeft:

25

Dan zult gij het in geld omzetten, en het geld gebonden in uw hand houden, en gaan naar de plaats die de HEER uw God zal uitkiezen:

26

En gij zult dat geld besteden aan alles wat uw ziel begeert, aan runderen, of aan schapen, of aan wijn, of aan sterke drank, of aan al wat uw ziel verlangd: en gij zult daar eten voor het aangezicht van de HEER uw God, en gij zult u verheugen, gij en uw huisgezin,

27

En de Leviet die binnen uw poorten is; hem zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erfdeel met u.

28

Aan het einde van drie jaren zult gij al de tienden van uw opbrengst van dat jaar voortbrengen, en gij zult die binnen uw poorten opslaan:

29

En de Leviet, (omdat hij geen deel noch erfdeel met u heeft,) en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die binnen uw poorten zijn, zullen komen en eten en verzadigd worden; opdat de HEER uw God u zegene in al het werk van uw hand dat gij doet.