Deuteronomium 17:14
“Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HEER uw God u geeft, en het bezeten hebt, en daarin woont, en zegt: Ik zal een koning over mij stellen, gelijk alle volken die rondom mij zijn;”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 17 — omringende verzen
En gij zult komen tot de priesters, de Levieten, en tot de rechter die in die dagen zal zijn, en navraag doen; en zij zullen u de uitspraak des oordeels tonen:
10En gij zult handelen naar de uitspraak die zij u tonen van die plaats welke de HEER zal kiezen; en gij zult er nauwlettend op toezien dat gij doet naar alles wat zij u zeggen:
11Naar de uitspraak der wet die zij u zullen leren, en naar het oordeel dat zij u zullen meedelen, zult gij handelen: gij zult niet afwijken van de uitspraak die zij u tonen, naar rechts noch naar links.
12En de man die aanmatigend zal handelen en niet zal horen naar de priester die daar staat om te dienen voor de HEER uw God, of naar de rechter, zelfs die man zal sterven; en gij zult het kwaad uit Israël wegdoen.
13En al het volk zal het horen en vrezen, en niet langer aanmatigend handelen.
Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HEER uw God u geeft, en het bezeten hebt, en daarin woont, en zegt: Ik zal een koning over mij stellen, gelijk alle volken die rondom mij zijn;
Dan zult gij voorzeker een koning over u stellen die de HEER uw God zal kiezen: uit het midden van uw broederen zult gij een koning over u stellen; gij moogt geen vreemdeling over u stellen die uw broeder niet is.
16Maar hij zal zich geen paarden vermenigvuldigen, noch het volk naar Egypte doen terugkeren opdat hij paarden zou vermenigvuldigen; want de HEER heeft tot u gezegd: Gij zult voortaan die weg niet meer terugkeren.
17Ook zal hij voor zichzelf geen vrouwen vermenigvuldigen, opdat zijn hart zich niet afkere; ook zal hij voor zichzelf zilver en goud niet bijzonder vermenigvuldigen.
18En het zal zijn, wanneer hij zit op de troon van zijn koninkrijk, dat hij voor zichzelf een afschrift van deze wet zal schrijven in een boek, uit hetgeen voor de priesters, de Levieten, ligt:
19En dat zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij lere de HEER zijn God te vrezen, om al de woorden van deze wet en deze inzettingen te bewaren en te doen: