Deuteronomium 23:20
“Aan een vreemdeling mag u rente vragen, maar aan uw broeder mag u geen rente vragen; opdat de HEER uw God u zegene in alles wat u ter hand neemt, in het land waarheen u gaat om het in bezit te nemen.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 23 — omringende verzen
U zult een slaaf die van zijn meester naar u gevlucht is, niet aan zijn meester uitleveren;
16Hij zal bij u wonen, ja, in uw midden, op de plaats die hij kiezen zal, in een van uw stadspoorten, waar het hem goeddunkt; u zult hem niet onderdrukken.
17Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël, noch een mannelijke hoer onder de zonen van Israël.
18U zult de hoerenloon of de prijs van een hond niet in het huis van de HEER uw God brengen voor enige gelofte, want beiden zijn een gruwel voor de HEER uw God.
19U zult aan uw broeder geen rente vragen; geen rente op geld, geen rente op voedsel, geen rente op wat er ook geleend wordt tegen rente;
Aan een vreemdeling mag u rente vragen, maar aan uw broeder mag u geen rente vragen; opdat de HEER uw God u zegene in alles wat u ter hand neemt, in het land waarheen u gaat om het in bezit te nemen.
Wanneer u de HEER uw God een gelofte doet, zult u niet talmen die in te lossen; want de HEER uw God zal die zeker van u eisen, en het zou u tot zonde zijn.
22Maar als u nalaat een gelofte te doen, zal het u geen zonde zijn.
23Wat uw lippen hebben uitgesproken, zult u nakomen en vervullen; een vrijwillig offer, zoals u de HEER uw God beloofd hebt, wat u met uw mond hebt uitgesproken.
24Wanneer u de wijngaard van uw naaste binnenkomt, mag u naar hartelust druiven eten; maar u mag niets in uw vat doen.
25Wanneer u door het staande koren van uw naaste gaat, mag u aren plukken met uw hand; maar u mag geen sikkel slaan aan het staande koren van uw naaste.