Deuteronomium 27:13
“En dezen zullen staan op de berg Ebal om te vervloeken: Ruben, Gad en Aser en Zebulon, Dan en Naftali.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 27 — omringende verzen
En gij zult op de stenen al de woorden van deze wet schrijven, duidelijk en klaar.
9En Mozes en de priesters, de Levieten, spraken tot heel Israël, zeggende: Zwijg en hoor, o Israël; op deze dag zijt gij het volk van de HEER uw God geworden.
10Gij zult dan de stem van de HEER uw God gehoorzamen en Zijn geboden en Zijn inzettingen doen, die ik u heden gebied.
11En Mozes gebood het volk op diezelfde dag, zeggende:
12Dezen zullen staan op de berg Gerizim om het volk te zegenen, als gij over de Jordaan getrokken zijt: Simeon en Levi en Juda en Issaschar en Jozef en Benjamin.
En dezen zullen staan op de berg Ebal om te vervloeken: Ruben, Gad en Aser en Zebulon, Dan en Naftali.
En de Levieten zullen aanheffen en zeggen tot alle mannen van Israël met luider stem:
15Vervloekt zij de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEER, het werk van handen van een ambachtsman, en het op een verborgen plaats neerzet. En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.
16Vervloekt zij hij die zijn vader of zijn moeder veracht. En al het volk zal zeggen: Amen.
17Vervloekt zij hij die de grenssteen van zijn naaste verlegt. En al het volk zal zeggen: Amen.
18Vervloekt zij hij die de blinde doet dwalen op de weg. En al het volk zal zeggen: Amen.