Deuteronomium 3:16
“Maar aan de Rubenieten en aan de Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, de helft der beek en de landpale, tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen van Ammon,”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
Want alleen Og, koning van Basan, was overgebleven van het overblijfsel der reuzen; zie, zijn bedstede was een bedstede van ijzer; is zij niet te Rabba der kinderen van Ammon? Negen ellen was haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.
12Dit land nu namen wij te dier tijd in bezit. Van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte Gilead, met zijn steden, gaf ik aan de Rubenieten en aan de Gadieten.
13En het overige van Gilead, en gans Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek Argob; gans Basan werd genoemd het land der reuzen.
14Jaïr, de zoon van Manasse, nam de ganse landstreek Argob in, tot aan de landpale der Gesurieten en der Maächatieten, en noemde ze naar zijn naam, Basan-Havvoth-Jaïr, tot op dezen dag.
15En aan Machir gaf ik Gilead.
Maar aan de Rubenieten en aan de Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, de helft der beek en de landpale, tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen van Ammon,
En het vlakke veld, en de Jordaan, en de landpale, van Kinnereth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga, tegen den opgang.
18En ik gebood u te dier tijd, zeggende: De HEER, uw God, heeft u dit land gegeven om het te bezitten; gij zult gewapend doortrekken voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israëls, al degenen die voor den krijg geschikt zijn.
19Alleen uw vrouwen, en uw kinderkens, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt) zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb,
20Totdat de HEER uw broederen rust geeft, gelijk u, en zij ook het land bezitten, dat de HEER, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij wederkeren, een ieder tot zijn bezitting, die ik u gegeven heb.
21Ook gebood ik Jozua te dier tijd, zeggende: Uw ogen hebben gezien al wat de HEER, uw God, deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEER doen aan alle koninkrijken, waarheen gij doortrekt.