Deuteronomium 31:23
“En Hij gaf Jozua, de zoon van Nun, een bevel en zei: Wees sterk en heb goede moed, want gij zult de kinderen van Israël brengen in het land dat Ik hun gezworen heb, en Ik zal met u zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 31 — omringende verzen
En Ik zal Mijn aangezicht te dien dage zeker verbergen vanwege al het kwaad dat zij gedaan zullen hebben, omdat zij zich tot andere goden gewend hebben.
19Nu dan, schrijf dit lied voor u op en leer het de kinderen van Israël; leg het in hun mond, opdat dit lied Mij tot getuige zij tegen de kinderen van Israël.
20Want wanneer Ik hen gebracht zal hebben in het land dat Ik hun vaderen gezworen heb, dat vloeit van melk en honing, en zij gegeten en zich verzadigd zullen hebben en vet geworden zijn, dan zullen zij zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij tergen en Mijn verbond verbreken.
21En het zal geschieden, wanneer vele kwade dingen en benauwdheden hen overkomen zullen zijn, dat dit lied tegen hen getuigen zal als getuige, want het zal niet vergeten worden uit de mond van hun nageslacht; want Ik ken hun verzinsels die zij vandaag al bedenken, voordat Ik hen in het land gebracht heb dat Ik gezworen heb.
22Mozes dan schreef dit lied op dezelfde dag en leerde het de kinderen van Israël.
En Hij gaf Jozua, de zoon van Nun, een bevel en zei: Wees sterk en heb goede moed, want gij zult de kinderen van Israël brengen in het land dat Ik hun gezworen heb, en Ik zal met u zijn.
En het geschiedde, toen Mozes geëindigd had de woorden van deze wet in een boek te schrijven, totdat zij voltooid waren,
25dat Mozes de Levieten, die de ark van het verbond des HEREN droegen, gebood en zei:
26Neem dit wetboek en leg het aan de zijde van de ark van het verbond des HEREN, uw God, opdat het daar tot getuige tegen u zij.
27Want ik ken uw opstandigheid en uw hardnekkigheid; zie, terwijl ik heden nog bij u in leven ben, zijt gij opstandig geweest tegen de HEER, hoeveel te meer na mijn dood!
28Verzamel tot mij al de oudsten van uw stammen en uw opzieners, opdat ik deze woorden voor hun oren spreke en hemel en aarde tot getuigen tegen hen aanroep.