Terug naar Esther 3
VSV
Statenvertaling

Esther 3:7

In de eerste maand — dat is de maand Nisan — in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men Pur, dat is het lot, voor het aangezicht van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, tot de twaalfde maand — dat is de maand Adar.

Kruisverwijzingen

Context

Esther 3 — omringende verzen

2

En al de dienaren des konings die in de poort des konings waren, bogen de knie en knielden voor Haman, want de koning had zo omtrent hem geboden. Maar Mordechai boog de knie niet en knielde niet.

3

Toen zeiden de dienaren des konings die in de poort des konings waren tot Mordechai: Waarom overtreedt gij het gebod des koningen?

4

En het geschiedde, toen zij dagelijks tot hem spraken en hij naar hen niet luisterde, dat zij het Haman berichtten, om te zien of de woorden van Mordechai stand zouden houden; want hij had hun gezegd dat hij een Jood was.

5

En toen Haman zag dat Mordechai de knie niet boog en niet voor hem knielde, werd Haman vervuld van toorn.

6

Maar het scheen hem te gering om alleen de hand te slaan aan Mordechai; want men had hem het volk van Mordechai bekendgemaakt; daarom zocht Haman alle Joden die door het gehele koninkrijk van Ahasveros waren, het volk van Mordechai, te verdelgen.

7

In de eerste maand — dat is de maand Nisan — in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men Pur, dat is het lot, voor het aangezicht van Haman, van dag tot dag en van maand tot maand, tot de twaalfde maand — dat is de maand Adar.

8

En Haman zeide tot koning Ahasveros: Er is een zeker volk, verstrooid en verspreid onder de volken in al de gewesten van uw koninkrijk; en hun wetten zijn anders dan die van alle volken en de wetten des koningen houden zij niet; het is de koning derhalve niet betamelijk hen te gedogen.

9

Indien het de koning goeddunkt, laat er geschreven worden dat zij vernietigd worden; dan zal ik tienduizend talenten zilver wegen in de handen van hen die de zaken beheren, om het in de schatkamers des konings te brengen.

10

En de koning nam zijn zegelring van zijn hand en gaf hem aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de vijand der Joden.

11

En de koning zeide tot Haman: Het zilver is u gegeven, alsmede het volk, om daarmee te doen wat goed is in uw ogen.

12

Toen werden de schrijvers des koningen geroepen op de dertiende dag van de eerste maand, en er werd geschreven naar alles wat Haman geboden had, aan de stadhouders des konings en aan de landvoogden over elk gewest en aan de vorsten van elk volk, naar elk gewest naar zijn schrift en naar elk volk naar zijn taal; in de naam van koning Ahasveros werd het geschreven en met des konings ring bezegeld.