Terug naar Esther 8
VSV
Statenvertaling

Esther 8:4

Toen reikte de koning de gouden scepter naar Esther toe. Zo stond Esther op en stelde zich voor de koning,

Kruisverwijzingen

Context

Esther 8 — omringende verzen

1

Op die dag gaf de koning Ahasveros het huis van Haman, de vijand der Joden, aan Esther de koningin. En Mordechai trad voor de koning, want Esther had hem bekendgemaakt wie hij voor haar was.

2

En de koning nam zijn ring af, die hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai. En Esther stelde Mordechai aan over het huis van Haman.

3

En Esther sprak nogmaals voor de koning en wierp zich neer aan zijn voeten, en smeekte hem met tranen om het kwaad van Haman de Agagiet en zijn aanslag die hij beraamd had tegen de Joden, teniet te doen.

4

Toen reikte de koning de gouden scepter naar Esther toe. Zo stond Esther op en stelde zich voor de koning,

5

En zeide: Indien het de koning behaagt, en indien ik genade gevonden heb in zijn ogen, en de zaak recht is voor de koning, en ik aangenaam ben in zijn ogen, laat het geschreven worden om de brieven teniet te doen die bedacht zijn door Haman, de zoon van Hammedatha de Agagiet, welke hij geschreven heeft om de Joden te vernietigen die in al de provincies des konings zijn;

6

Want hoe zou ik het kunnen verdragen om het kwaad te zien dat mijn volk zal overkomen? Of hoe zou ik het kunnen verdragen om de vernietiging van mijn verwanten te zien?

7

Toen zeide koning Ahasveros tot koningin Esther en tot Mordechai, de Jood: Zie, ik heb Esther het huis van Haman gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden had geslagen.

8

Schrijft ook gij voor de Joden, zoals het u goed dunkt, in des konings naam, en verzegelt het met des konings zegelring; want een geschrift dat in des konings naam geschreven en met des konings zegelring verzegeld is, kan door niemand herroepen worden.

9

Toen werden des konings schrijvers geroepen in die tijd, in de derde maand, dat is de maand Sivan, op de drieëntwintigste dag daarvan; en er werd geschreven naar alles wat Mordechai gebood aan de Joden, en aan de stadhouders, en de landvoogden en de oversten der gewesten, die van India tot Cusch toe waren, honderd zevenentwintig gewesten, aan elk gewest naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn taal, en aan de Joden naar hun schrift en naar hun taal.