Terug naar Exodus 11
VSV
Statenvertaling

Exodus 11:6

En er zal een groot geroep zijn door het gehele land Egypte, zoals er nooit een is geweest en nooit meer zal zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Exodus 11 — omringende verzen

1

En de HEER zei tot Mozes: Nog één plaag zal Ik over Farao en over Egypte brengen; daarna zal hij u van hier laten gaan; wanneer hij u laat gaan, zal hij u geheel en al van hier verdrijven.

2

Spreek nu ten aanhoren van het volk, en laat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste, sieraden van zilver en sieraden van goud vragen.

3

En de HEER gaf het volk genade in de ogen der Egyptenaren. Bovendien was de man Mozes zeer aanzienlijk in het land Egypte, in de ogen van de dienaren van Farao en in de ogen van het volk.

4

En Mozes zei: Zo zegt de HEER: Omstreeks middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte.

5

En alle eerstgeborenen in het land Egypte zullen sterven, van de eerstgeborene van Farao die op zijn troon zit, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd die achter de molen is, en alle eerstgeborenen der dieren.

6

En er zal een groot geroep zijn door het gehele land Egypte, zoals er nooit een is geweest en nooit meer zal zijn.

7

Maar tegen geen van de kinderen Israëls zal een hond zijn tong bewegen, tegen mens noch dier, opdat gij weet dat de HEER onderscheid maakt tussen de Egyptenaren en Israël.

8

En al deze uw dienaren zullen tot mij neerdalen en zich voor mij neerbuigen, zeggende: Ga uit, gij en al het volk dat u volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in grote toorn.

9

En de HEER zei tot Mozes: Farao zal naar u niet luisteren, opdat Mijn wonderen vermenigvuldigd worden in het land Egypte.

10

En Mozes en Aäron deden al deze wonderen voor Farao; maar de HEER verhardde het hart van Farao, zodat hij de kinderen Israëls niet uit zijn land liet gaan.