Terug naar Exodus 13
VSV
Statenvertaling

Exodus 13:16

En het zal een teken op uw hand zijn en een voorhoofdsband tussen uw ogen; want met een sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte geleid.

Kruisverwijzingen

Context

Exodus 13 — omringende verzen

11

En het zal geschieden, wanneer de HEER u zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, zoals Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en het u zal gegeven hebben,

12

Dat gij aan de HEER afzondert al wat de moederschoot opent, en elke eerstelingsworp die van een dier komt dat gij hebt; de mannetjes zijn voor de HEER.

13

En elke eerstelingsworp van een ezel zult gij lossen met een lam; en indien gij het niet lost, dan zult gij zijn nek breken; en alle eerstgeborenen van de mensen onder uw kinderen zult gij lossen.

14

En het zal geschieden, wanneer uw zoon u te zijner tijd vraagt: Wat is dit? dat gij tot hem zult zeggen: Met een sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte geleid, uit het diensthuis.

15

En het geschiedde, toen Farao ons niet wilde laten gaan, dat de HEER alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, zowel de eerstgeborenen van mensen als de eerstgeborenen van het vee; daarom offer ik aan de HEER al wat de moederschoot opent, de mannetjes; maar alle eerstgeborenen van mijn kinderen los ik.

16

En het zal een teken op uw hand zijn en een voorhoofdsband tussen uw ogen; want met een sterke hand heeft de HEER ons uit Egypte geleid.

17

En het geschiedde, toen Farao het volk had laten gaan, dat God hen niet leidde langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel die korter was; want God zeide: Dat het volk zich wellicht niet bedenkt wanneer zij oorlog zien, en naar Egypte terugkeren.

18

Maar God leidde het volk om, langs de weg door de woestijn van de Rode Zee; en de kinderen van Israël trokken gewapend op uit het land Egypte.

19

En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich mee; want hij had de kinderen van Israël ernstig laten zweren en gezegd: God zal zeker naar u omzien; en gij zult mijn beenderen van hier met u meedragen.

20

En zij braken op van Sukkoth en legerden zich in Etham, aan de rand van de woestijn.

21

En de HEER ging voor hen uit, overdag in een wolkkolom om hen de weg te wijzen, en des nachts in een vuurkolom om hen licht te geven; zodat zij dag en nacht konden reizen.