Terug naar Exodus 29
VSV
Statenvertaling

Exodus 29:20

Dan zult gij de ram slachten, en van zijn bloed nemen en dat strijken op de rechteroorkwab van Aäron, en op de rechteroorkwab van zijn zonen, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet, en het bloed rondom op het altaar sprenkelen.

Kruisverwijzingen

Context

Exodus 29 — omringende verzen

15

Gij zult ook de ene ram nemen; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen leggen op de kop van de ram.

16

En gij zult de ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen en dat rondom op het altaar sprenkelen.

17

En gij zult de ram in stukken snijden, en de ingewanden en zijn poten wassen, en die bij zijn stukken en bij zijn kop leggen.

18

En gij zult de gehele ram op het altaar in rook laten opgaan; het is een brandoffer voor de HEER; het is een lieflijke reuk, een vuuroffer voor de HEER.

19

En gij zult de andere ram nemen; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen leggen op de kop van de ram.

20

Dan zult gij de ram slachten, en van zijn bloed nemen en dat strijken op de rechteroorkwab van Aäron, en op de rechteroorkwab van zijn zonen, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet, en het bloed rondom op het altaar sprenkelen.

21

En gij zult van het bloed dat op het altaar is, en van de zalfolie nemen en dat sprenkelen op Aäron en op zijn klederen, en op zijn zonen en op de klederen van zijn zonen met hem; en hij zal geheiligd worden, en zijn klederen, en zijn zonen, en de klederen van zijn zonen met hem.

22

Ook zult gij van de ram het vet nemen, en de staart, en het vet dat de ingewanden bedekt, en het net boven de lever, en de twee nieren en het vet dat daarop is, en de rechterscouder; want het is een wijdingsram.

23

En één broodkoek, en één koek van met olie gemengd brood, en één vlad uit de mand van het ongezuurde brood dat voor de HEER staat.

24

En gij zult dit alles leggen in de handen van Aäron en in de handen van zijn zonen; en gij zult het als een beweegoffer zwaaien voor de HEER.

25

En gij zult het uit hun handen ontvangen en het op het altaar in rook laten opgaan als een brandoffer, als een lieflijke reuk voor de HEER; het is een vuuroffer voor de HEER.