Exodus 32:33
“En de HEER zei tot Mozes: Wie tegen Mij gezondigd heeft, die zal Ik uit Mijn boek delgen.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 32 — omringende verzen
En de kinderen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk op die dag omstreeks drieduizend man.
29Want Mozes had gezegd: Wijdt uzelf heden aan de HEER, ieder man ten koste van zijn zoon en zijn broeder, opdat Hij u heden een zegen schenke.
30En het geschiedde de volgende dag, dat Mozes tot het volk zei: Gij hebt een grote zonde begaan; en nu zal ik opgaan tot de HEER; misschien zal ik verzoening doen voor uw zonde.
31En Mozes keerde terug tot de HEER en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde begaan en goden van goud voor zichzelf gemaakt.
32Maar nu, indien Gij toch hun zonde wilt vergeven —; en zo niet, delg mij dan, bid ik U, uit Uw boek dat Gij geschreven hebt.
En de HEER zei tot Mozes: Wie tegen Mij gezondigd heeft, die zal Ik uit Mijn boek delgen.
Ga dan nu, leid het volk naar de plaats waarvan Ik u gesproken heb; zie, Mijn Engel zal voor u uitgaan; maar op de dag dat Ik hen bezoek, zal Ik hun zonde op hen bezoeken.
35En de HEER sloeg het volk, omdat zij het kalf hadden gemaakt, dat Aäron had gemaakt.