Exodus 5:3
“En zij zeiden: De God der Hebreeën heeft ons ontmoet; laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn intrekken en de HEER onze God offeren, opdat Hij ons niet treft met pestilentie of met het zwaard.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 5 — omringende verzen
En daarna gingen Mozes en Aäron naar binnen en zeiden tot Farao: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, opdat zij een feest voor Mij houden in de woestijn.
2En Farao zeide: Wie is de HEER, dat ik naar zijn stem zou luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HEER niet, en ik zal Israël ook niet laten gaan.
En zij zeiden: De God der Hebreeën heeft ons ontmoet; laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn intrekken en de HEER onze God offeren, opdat Hij ons niet treft met pestilentie of met het zwaard.
En de koning van Egypte zeide tot hen: Mozes en Aäron, waarom houdt gij het volk op van hun werk? Gaat naar uw lasten.
5En Farao zeide: Zie, het volk des lands is nu talrijk, en gij doet hen rusten van hun lasten.
6En Farao gebood diezelfde dag de drijvers van het volk en hun opzichters, zeggende:
7Gij zult het volk voortaan geen stro meer geven om stenen te maken, zoals vroeger; laat hen zelf gaan en stro vergaderen.
8En het aantal stenen dat zij vroeger maakten, zult gij hun opleggen; gij zult er niets van verminderen; want zij zijn lui, daarom roepen zij: Laat ons gaan en onze God offeren.