Terug naar Exodus 6
VSV
Statenvertaling

Exodus 6:7

En Ik zal u Mij tot een volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gij zult weten dat Ik de HEER uw God ben, die u uitbrengt van onder de lasten der Egyptenaren.

Kruisverwijzingen

Context

Exodus 6 — omringende verzen

2

En God sprak tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de HEER.

3

En Ik ben aan Abraham, aan Izak en aan Jakob verschenen als God de Almachtige, maar bij Mijn naam JEHOVAH ben Ik hun niet bekend geweest.

4

En Ik heb ook Mijn verbond met hen opgericht, om hun het land Kanaän te geven, het land van hun vreemdelingschap, waarin zij vreemdelingen waren.

5

En Ik heb ook het gekerm der kinderen Israëls gehoord, die de Egyptenaren in dienstbaarheid houden; en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.

6

Zeg daarom tot de kinderen Israëls: Ik ben de HEER, en Ik zal u uitbrengen van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u verlossen uit hun dienstbaarheid, en Ik zal u verlossen met een uitgestrekte arm en met grote gerichten.

7

En Ik zal u Mij tot een volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gij zult weten dat Ik de HEER uw God ben, die u uitbrengt van onder de lasten der Egyptenaren.

8

En Ik zal u brengen in het land, waarvan Ik gezworen heb het te geven aan Abraham, aan Izak en aan Jakob; en Ik zal het u geven tot een erfenis: Ik ben de HEER.

9

En Mozes sprak aldus tot de kinderen Israëls; maar zij luisterden niet naar Mozes vanwege de benauwdheid des geestes en vanwege de harde dienstbaarheid.

10

En de HEER sprak tot Mozes, zeggende:

11

Ga in, spreek tot Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land laat gaan.

12

En Mozes sprak voor het aangezicht des HEREN, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet geluisterd; hoe zal Farao dan naar mij horen, ik die onbesneden van lippen ben?