Ezechiël 18:25
“Toch zegt gij: De weg van de HEER is niet recht. Hoor toch, o huis van Israël: Is mijn weg niet recht? Zijn uw wegen niet onrecht?”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 18 — omringende verzen
De ziel die zondigt, die zal sterven. De zoon zal de ongerechtigheid van de vader niet dragen, noch zal de vader de ongerechtigheid van de zoon dragen; de gerechtigheid van de rechtvaardige zal op hem zijn en de goddeloosheid van de goddeloze zal op hem zijn.
21Maar als de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden die hij begaan heeft en al mijn inzettingen bewaart en doet wat recht en rechtvaardig is, zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.
22Al zijn overtredingen die hij begaan heeft, zullen hem niet meer aangerekend worden; in zijn gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal hij leven.
23Heb Ik enig behagen in de dood van de goddeloze, zegt de Heere HEER? En niet veeleer dat hij zich bekeert van zijn wegen en leeft?
24Maar wanneer de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht bedrijft en doet naar al de gruwelen die de goddeloze doet, zal hij leven? Al zijn gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal niet worden herdacht; in zijn overtreding die hij begaan heeft en in zijn zonde die hij gezondigd heeft, daarin zal hij sterven.
Toch zegt gij: De weg van de HEER is niet recht. Hoor toch, o huis van Israël: Is mijn weg niet recht? Zijn uw wegen niet onrecht?
Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht bedrijft en daarin sterft — om zijn ongerechtigheid die hij gedaan heeft, zal hij sterven.
27En wanneer een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid die hij bedreven heeft en doet wat recht en rechtvaardig is, zal hij zijn ziel in het leven behouden.
28Omdat hij het overweegt en zich bekeert van al zijn overtredingen die hij begaan heeft, zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven.
29Toch zegt het huis van Israël: De weg van de HEER is niet recht. O huis van Israël, zijn mijn wegen niet recht? Zijn uw wegen niet onrecht?
30Daarom zal Ik u oordelen, o huis van Israël, een ieder naar zijn wegen, zegt de Heere HEER. Bekeert u en wendt u af van al uw overtredingen, opdat de ongerechtigheid u niet tot ondergang zal zijn.