Terug naar Ezechiël 20
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 20:24

Omdat zij Mijn rechten niet hadden uitgevoerd, maar Mijn inzettingen hadden verworpen, en Mijn sabbatten hadden ontheiligd, en hun ogen gericht waren op de afgoden van hun vaderen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 20 — omringende verzen

19

Ik ben de HEER uw God; wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet dezelve;

20

En heiligt Mijn sabbatten; en zij zullen een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet dat Ik de HEER uw God ben.

21

Nochtans kwamen de kinderen tegen Mij in opstand: zij wandelden niet in Mijn inzettingen, noch bewaarden zij Mijn rechten om die te doen, die, indien een mens die doet, hij daardoor leven zal; zij ontheiligden Mijn sabbatten: toen zeide Ik, Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten, om Mijn toorn tegen hen te voltooien in de woestijn.

22

Nochtans trok Ik Mijn hand terug, en handelde omwille van Mijn naam, opdat die niet ontheiligd zou worden voor de ogen der heidenen, in wier ogen Ik hen had uitgeleid.

23

Ook hief Ik Mijn hand over hen op in de woestijn, dat Ik hen zou verstrooien onder de heidenen, en hen verspreiden door de landen;

24

Omdat zij Mijn rechten niet hadden uitgevoerd, maar Mijn inzettingen hadden verworpen, en Mijn sabbatten hadden ontheiligd, en hun ogen gericht waren op de afgoden van hun vaderen.

25

Daarom gaf Ik hun ook inzettingen die niet goed waren, en rechten waardoor zij niet leven zouden;

26

En Ik verontreinigde hen door hun eigen gaven, doordat zij al wat de moederschoot opent door het vuur lieten gaan, opdat Ik hen verwoesten zou, opdat zij zouden weten dat Ik de HEER ben.

27

Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer HEER: Hierin hebben uw vaderen Mij ook gelasterd, doordat zij een overtreding tegen Mij hebben begaan.

28

Want toen Ik hen had gebracht in het land, waarvoor Ik Mijn hand opgericht had om het hun te geven, zagen zij elke hoge heuvel, en alle dichte bomen, en zij brachten daar hun offeranden, en daar presenteerden zij de verbittering van hun offergave: daar maakten zij ook hun liefelijke reuk, en goten daar hun drankoffers uit.

29

Toen zeide Ik tot hen: Wat is de hoogte waarheen gij gaat? En de naam daarvan wordt Bama genoemd tot op deze dag.