Ezechiël 20:40
“Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, zegt de Heer HEER, zal het ganse huis van Israël, allen te zamen in het land, Mij dienen: daar zal Ik hen aannemen, en daar zal Ik uw heffingen eisen, en de eerstelingen van uw offergaven, met al uw heilige dingen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 20 — omringende verzen
En Ik zal u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal daar met u rechten, van aangezicht tot aangezicht.
36Gelijk als Ik rechtte met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte, alzo zal Ik met u rechten, zegt de Heer HEER.
37En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en u brengen in de band des verbonds:
38En Ik zal uit uw midden de afvalligen uitzuiveren, en degenen die tegen Mij overtreden: Ik zal hen uitvoeren uit het land waar zij vertoeven, maar zij zullen in het land Israël niet komen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.
39Maar gij, O huis van Israël, zo zegt de Heer HEER: Gaat heen, dient ieder zijn afgoden, en voortaan ook, indien gij naar Mij niet wilt horen: maar ontheiligt Mijn heilige naam niet meer met uw gaven, en met uw afgoden.
Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, zegt de Heer HEER, zal het ganse huis van Israël, allen te zamen in het land, Mij dienen: daar zal Ik hen aannemen, en daar zal Ik uw heffingen eisen, en de eerstelingen van uw offergaven, met al uw heilige dingen.
Ik zal u aannemen om uw liefelijke reuk, wanneer Ik u uitvoer van onder de volken, en u vergader uit de landen waarheen gij verstrooid zijt; en Ik zal Mij in u heiligen voor de ogen der heidenen.
42En gij zult weten dat Ik de HEER ben, wanneer Ik u zal brengen in het land Israël, in het land waarvoor Ik Mijn hand ophief om het aan uw vaderen te geven.
43En daar zult gij uw wegen gedenken, en al uw handelingen, waarmee gij u verontreinigd hebt; en gij zult een walging van uzelf hebben in uw eigen ogen om al uw boosheden die gij begaan hebt.
44En gij zult weten dat Ik de HEER ben, wanneer Ik met u gehandeld zal hebben omwille van Mijn naam, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, O huis van Israël, zegt de Heer HEER.
45Voorts kwam het woord van de HEER tot mij, zeggende: