Terug naar Ezechiël 21
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 21:23

En het zal hun zijn als een valse waarzeggerij in hun ogen, namelijk hun die door eden gezworen hebben; maar hij zal de ongerechtigheid in herinnering roepen, opdat zij gevangen genomen worden.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 21 — omringende verzen

18

Het woord van de HEER kwam wederom tot mij, zeggende:

19

Stel ook, mensenkind, twee wegen voor u aan, waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen; beide zullen uit één land voortkomen; en kies een scheiding, kies die aan het hoofd van de weg naar de stad.

20

Wijs een weg aan, zodat het zwaard naar Rabbath der Ammonieten kan komen, en naar Juda in Jeruzalem, de versterkte stad.

21

Want de koning van Babel stond aan de scheiding van de weg, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzeggerij te bedrijven; hij schudt de pijlen, hij raadpleegt de terafim, hij ziet in de lever.

22

Aan zijn rechterhand was de waarzeggerij voor Jeruzalem, om hoofdmannen aan te wijzen, om de mond te openen voor de slachting, om de stem te verheffen met gejuich, om stormrammen tegen de poorten te zetten, om een wal op te werpen en een schans te bouwen.

23

En het zal hun zijn als een valse waarzeggerij in hun ogen, namelijk hun die door eden gezworen hebben; maar hij zal de ongerechtigheid in herinnering roepen, opdat zij gevangen genomen worden.

24

Daarom zegt de Heere HEER aldus: Omdat gij uw ongerechtigheid in herinnering hebt doen brengen, doordat uw overtredingen ontdekt zijn, zodat in al uw daden uw zonden openbaar worden; omdat, zeg Ik, gij in herinnering bent gekomen, zult gij met de hand gegrepen worden.

25

En gij, ontheiligde, goddeloze vorst van Israël, wiens dag gekomen is, wanneer de ongerechtigheid een einde zal nemen,

26

Zo zegt de Heere HEER: Doe de diadeem af en neem de kroon weg; dit zal niet hetzelfde blijven; verhoog hem die laag is en verneder hem die hoog is.

27

Ik zal het omverwerpen, omverwerpen, omverwerpen; en het zal er niet meer zijn, totdat Hij komt wiens recht het is; en Ik zal het Hem geven.

28

En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEER aangaande de Ammonieten en aangaande hun smaad; zeg ook: Het zwaard, het zwaard is getrokken; voor de slachting is het gepolijst, om te verteren vanwege het glinsteren;