Terug naar Ezechiël 22
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 22:24

Mensenkind, zeg tot haar: Gij zijt een land dat niet gereinigd is, noch beregend op de dag van de gramschap.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 22 — omringende verzen

19

Daarom zegt de Heere HEER aldus: Omdat gij allen tot schuim geworden zijt, zie, daarom zal Ik u vergaderen in het midden van Jeruzalem.

20

Zoals men zilver en koper en ijzer en lood en tin vergadert in het midden van de smeltkroes, om er het vuur op te blazen, om het te smelten; zo zal Ik u vergaderen in mijn toorn en in mijn grimmigheid, en u daar laten en u smelten.

21

Ja, Ik zal u vergaderen en op u blazen in het vuur van mijn toorn, en gij zult gesmolten worden in het midden daarvan.

22

Zoals zilver gesmolten wordt in het midden van de smeltkroes, zo zult gij gesmolten worden in het midden daarvan; en gij zult weten dat Ik, de HEER, mijn grimmigheid over u heb uitgestort.

23

En het woord van de HEER kwam tot mij, zeggende:

24

Mensenkind, zeg tot haar: Gij zijt een land dat niet gereinigd is, noch beregend op de dag van de gramschap.

25

Er is een samenzwering van haar profeten in haar midden, als een brullende leeuw die de prooi verscheurt; zij hebben zielen verslonden; zij hebben schatten en kostbare dingen genomen; zij hebben vele weduwen in haar midden gemaakt.

26

Haar priesters hebben mijn wet geschonden en mijn heilige dingen ontheiligd; zij hebben geen onderscheid gemaakt tussen het heilige en het onheilige, noch het verschil aangewezen tussen het onreine en het reine, en zij hebben hun ogen gesloten voor mijn sabbatten, zodat Ik onder hen ontheiligd ben.

27

Haar vorsten in haar midden zijn als wolven die de prooi verscheuren, om bloed te vergieten en zielen te verdelgen, om oneerlijk gewin te verwerven.

28

En haar profeten hebben voor hen met ongebluste kalk gepleisterd, ziende ijdelheid en hun leugens waarzeggende, zeggende: Zo zegt de Heere HEER, terwijl de HEER niet gesproken heeft.

29

Het volk des lands heeft onderdrukking gepleegd en roof bedreven, en de arme en behoeftige verdrukt; ja, zij hebben de vreemdeling ten onrechte onderdrukt.