Ezechiël 22:31
“Daarom heb Ik Mijn gramschap over hen uitgestort; Ik heb hen verteerd met het vuur van Mijn toorn; hun eigen weg heb Ik op hun hoofd vergolden, zegt de Heere HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 22 — omringende verzen
Haar priesters hebben mijn wet geschonden en mijn heilige dingen ontheiligd; zij hebben geen onderscheid gemaakt tussen het heilige en het onheilige, noch het verschil aangewezen tussen het onreine en het reine, en zij hebben hun ogen gesloten voor mijn sabbatten, zodat Ik onder hen ontheiligd ben.
27Haar vorsten in haar midden zijn als wolven die de prooi verscheuren, om bloed te vergieten en zielen te verdelgen, om oneerlijk gewin te verwerven.
28En haar profeten hebben voor hen met ongebluste kalk gepleisterd, ziende ijdelheid en hun leugens waarzeggende, zeggende: Zo zegt de Heere HEER, terwijl de HEER niet gesproken heeft.
29Het volk des lands heeft onderdrukking gepleegd en roof bedreven, en de arme en behoeftige verdrukt; ja, zij hebben de vreemdeling ten onrechte onderdrukt.
30En Ik zocht onder hen naar een man die de muur zou dichtmetselen en in de bres zou staan voor Mijn aangezicht voor het land, opdat Ik het niet zou verderven; maar Ik vond niemand.
Daarom heb Ik Mijn gramschap over hen uitgestort; Ik heb hen verteerd met het vuur van Mijn toorn; hun eigen weg heb Ik op hun hoofd vergolden, zegt de Heere HEER.