Ezechiël 26:15
“Zo zegt de Heer HEERE tot Tyrus: Zullen de eilanden niet beven bij het geluid van uw val, wanneer de gewonden kreunen, wanneer de slachting in uw midden wordt aangericht?”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 26 — omringende verzen
Door de overvloed van zijn paarden zal hun stof u bedekken; uw muren zullen beven van het gedruis van de ruiters en de wielen en de strijdwagens, wanneer hij uw poorten binnentrekt zoals men een stad binnentrekt waar een bres in geslagen is.
11Met de hoeven van zijn paarden zal hij al uw straten vertreden; hij zal uw volk doden met het zwaard, en uw sterke zuilen zullen neervallen op de grond.
12En zij zullen uw rijkdommen plunderen en een prooi maken van uw koopwaren; en zij zullen uw muren afbreken en uw lustige huizen verwoesten; en zij zullen uw stenen en uw hout en uw stof in het midden van het water werpen.
13En Ik zal het geluid van uw liederen doen ophouden; en het geluid van uw harpen zal niet meer gehoord worden.
14En Ik zal u maken als de top van een rots; u zult een plek zijn om netten op uit te spreiden; u zult nooit meer opgebouwd worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken, zegt de Heer HEERE.
Zo zegt de Heer HEERE tot Tyrus: Zullen de eilanden niet beven bij het geluid van uw val, wanneer de gewonden kreunen, wanneer de slachting in uw midden wordt aangericht?
Dan zullen alle vorsten van de zee van hun tronen afdalen, en hun mantels afleggen, en hun geborduurde gewaden uittrekken; zij zullen zich bekleden met siddering; zij zullen op de grond zitten, en van ogenblik tot ogenblik beven, en over u ontzet zijn.
17En zij zullen een klaaglied over u aanheffen en tot u zeggen: Hoe zijt u vernield, u die bewoond werd door zeevaarders, de beroemde stad, die sterk was op de zee, zij en haar inwoners, die haar schrik oplegden aan allen die haar bezochten!
18Nu zullen de eilanden beven op de dag van uw val; ja, de eilanden in de zee zullen verschrikt zijn over uw ondergang.
19Want zo zegt de Heer HEERE: Wanneer Ik u maak tot een verwoeste stad, gelijk de steden die niet bewoond worden; wanneer Ik de diepte over u doe opkomen en grote wateren u bedekken;
20Wanneer Ik u doen neerdalen met hen die in de kuil nederdalen, bij het volk van ouds, en u zal zetten in de laagste delen der aarde, in de plaatsen die vanouds verlaten zijn, met hen die in de kuil nederdalen, zodat u niet bewoond wordt; en Ik heerlijkheid zal stellen in het land der levenden;