Terug naar Ezechiël 28
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 28:17

Uw hart was verheven vanwege uw schoonheid, gij hebt uw wijsheid bedorven vanwege uw glans; Ik zal u ter aarde werpen, Ik zal u voor koningen neerzetten, opdat zij u aanschouwen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 28 — omringende verzen

12

Mensenkind, hef een klaagzang aan over de koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heer HEER: Gij zijt het zegel der volmaaktheid, vol van wijsheid en volkomen in schoonheid.

13

Gij zijt in Eden geweest, de hof van God; elke edelste steen was uw bedekking: de sardius, de topaas en de diamant, de beryl, de onyx en de jaspis, de saffier, de smaragd en de robijn, en goud; het maaksel van uw tamboerijnen en uw fluiten was in u bereid op de dag dat gij geschapen werdt.

14

Gij zijt de gezalfde cherub die overdekt; en Ik heb u zo aangesteld; gij waart op de heilige berg van God; gij hebt gewandeld te midden van de vurige stenen.

15

Gij waart volmaakt in uw wegen van de dag af dat gij geschapen werdt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden werd.

16

Door de overvloed van uw handel hebben zij het midden van u vervuld met geweld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u als onheilige werpen van de berg Gods, en Ik zal u verdelgen, o bedekkende cherub, uit het midden van de vurige stenen.

17

Uw hart was verheven vanwege uw schoonheid, gij hebt uw wijsheid bedorven vanwege uw glans; Ik zal u ter aarde werpen, Ik zal u voor koningen neerzetten, opdat zij u aanschouwen.

18

Gij hebt uw heiligdommen ontheiligd door de overvloed van uw ongerechtigheden, door de ongerechtigheid van uw handel; daarom zal Ik een vuur uit uw midden voortbrengen, dat zal u verteren, en Ik zal u tot as maken op de aarde voor de ogen van allen die u aanschouwen.

19

Allen die u kennen onder de volken zullen over u ontzet zijn; gij zult een schrik zijn en er zult gij voor immer niet meer zijn.

20

Wederom kwam het woord des HEREN tot mij, zeggende:

21

Mensenkind, richt uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer daartegen,

22

En zeg: Zo zegt de Heer HEER: Zie, Ik ben tegen u, o Sidon; en Ik zal verheerlijkt worden in uw midden; en zij zullen weten dat Ik de HEER ben, wanneer Ik oordelen in haar voltrokken heb en in haar geheiligd ben.