Ezechiël 29:21
“Te dien dage zal Ik een hoorn voor het huis van Israël doen uitspruiten, en Ik zal u een geopende mond geven in hun midden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 29 — omringende verzen
En het zal niet meer het vertrouwen zijn van het huis van Israël, dat aan hun ongerechtigheid herinnert wanneer zij zich tot hen wenden; maar zij zullen weten dat Ik de Heere HEERE ben.
17En het geschiedde in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag der maand, dat het woord des HEEREN tot mij kwam, zeggende:
18Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger een zware dienst laten verrichten tegen Tyrus; elk hoofd werd kaal en elke schouder werd ontveld; maar hij noch zijn leger ontvingen loon van Tyrus voor de dienst die hij tegen haar bewezen had.
19Daarom zegt de Heere HEERE aldus: Zie, Ik zal het land Egypte aan Nebukadrezar, de koning van Babel, geven; hij zal haar menigte wegvoeren, haar buit roven en haar roof plunderen; en dit zal het loon zijn voor zijn leger.
20Ik heb hem het land Egypte als loon gegeven voor zijn arbeid waarmee hij daartegen streed, omdat zij voor Mij gewerkt hebben, zegt de Heere HEERE.
Te dien dage zal Ik een hoorn voor het huis van Israël doen uitspruiten, en Ik zal u een geopende mond geven in hun midden; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.