Terug naar Ezechiël 29
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 29:5

En Ik zal u in de woestijn werpen, u en al de vissen van uw rivieren; u zult vallen op het open veld, u zult niet worden samengebracht, noch vergaderd; Ik heb u gegeven tot voedsel voor de dieren des velds en voor de vogels des hemels.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 29 — omringende verzen

1

In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde dag der maand, kwam het woord des HEREN tot mij, zeggende:

2

Mensenkind, richt uw aangezicht tegen Farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte.

3

Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zend Mij tegen u, Farao, koning van Egypte, grote draak die in het midden van zijn rivieren ligt, die gezegd heeft: Mijn rivier is van mij, en ik heb hem voor mijzelf gemaakt.

4

Maar Ik zal haken in uw kaken slaan, en Ik zal de vissen van uw rivieren aan uw schubben doen kleven, en Ik zal u optrekken uit het midden van uw rivieren, en al de vissen van uw rivieren zullen aan uw schubben kleven.

5

En Ik zal u in de woestijn werpen, u en al de vissen van uw rivieren; u zult vallen op het open veld, u zult niet worden samengebracht, noch vergaderd; Ik heb u gegeven tot voedsel voor de dieren des velds en voor de vogels des hemels.

6

En alle inwoners van Egypte zullen weten dat Ik de HEERE ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf zijn geweest.

7

Toen zij u bij de hand grepen, brak u af en scheurde al hun schouder open; en toen zij op u leunden, brak u en deed al hun lendenen stilstaan.

8

Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het zwaard over u brengen, en Ik zal mens en dier uit u wegsnijden.

9

En het land Egypte zal een woestenij en wildernis worden, en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben, omdat hij gezegd heeft: De rivier is van mij, en ik heb hem gemaakt.

10

Zie daarom, Ik zend Mij tegen u en tegen uw rivieren, en Ik zal het land Egypte tot een volslagen woestenij en wildernis maken, van de toren van Syene tot aan de grens van Ethiopië.