Ezechiël 31:17
“Zij zijn ook met hem nedergegaan in het dodenrijk tot hen die gevallen zijn door het zwaard; ja, zijn arm, die onder zijn schaduw woonde in het midden der heidenen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 31 — omringende verzen
En vreemden, de verschrikkelijksten der volken, hebben hem afgehouwen en hem verlaten; op de bergen en in alle dalen zijn zijn takken gevallen en zijn twijgen gebroken door alle rivieren des lands; en al de volken der aarde zijn weggegaan van zijn schaduw en hebben hem verlaten.
13Op zijn ruïne zullen alle vogels des hemels verblijven, en alle dieren des velds zullen op zijn takken zijn.
14Opdat geen van alle bomen bij de wateren zichzelf verheffe vanwege zijn hoogte, noch zijn top uitscheete tussen de dichte twijgen, noch hun bomen oprijzen in hun hoogte, al diegenen die water drinken; want zij zijn allen overgegeven aan de dood, aan de diepste delen der aarde, temidden van de mensenkinderen, bij hen die neerdalen in de kuil.
15Zo zegt de Heer HEER: Op de dag dat hij nederdaalde in het graf, veroorzaakte Ik een rouw; Ik bedekte de diepte voor hem, en Ik hield zijn stromen tegen, en de grote wateren werden gestuit; en Ik deed de Libanon over hem treuren, en alle bomen des velds versmachtten om hem.
16Ik deed de volken beven bij het geluid van zijn val, toen Ik hem neerhaalde in het dodenrijk met hen die nederdalen in de kuil; en alle bomen van Eden, het uitgelezene en het beste van de Libanon, allen die water drinken, zullen getroost worden in de onderste delen der aarde.
Zij zijn ook met hem nedergegaan in het dodenrijk tot hen die gevallen zijn door het zwaard; ja, zijn arm, die onder zijn schaduw woonde in het midden der heidenen.
Met wie zijt gij aldus te vergelijken in heerlijkheid en grootheid onder de bomen van Eden? Toch zult gij met de bomen van Eden worden neergehaald in de onderste delen der aarde; gij zult liggen in het midden der onbesnedenen, met hen die gevallen zijn door het zwaard. Dit is Farao en al zijn menigte, zegt de Heer HEER.