Terug naar Ezechiël 37
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 37:20

En de stokken waarop gij schrijft, zullen in uw hand zijn voor hun ogen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 37 — omringende verzen

15

Het woord des HEEREN geschiedde wederom tot mij, zeggende:

16

En gij, mensenkind, neem u een stok, en schrijf daarop: Voor Juda en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; neem dan een andere stok en schrijf daarop: Voor Jozef, de stok van Efraïm, en voor het ganse huis Israëls, zijn metgezellen;

17

En voeg ze de een bij de ander tot één stok, en zij zullen één worden in uw hand.

18

En wanneer de kinderen van uw volk tot u spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven wat gij hiermee bedoelt?

19

Zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal de stok van Jozef, die in de hand van Efraïm is, en de stammen Israëls, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal hen met hem voegen, met de stok van Juda, en hen tot één stok maken; en zij zullen één zijn in Mijn hand.

20

En de stokken waarop gij schrijft, zullen in uw hand zijn voor hun ogen.

21

En zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal de kinderen Israëls nemen van tussen de heidenen, waarheen zij gegaan zijn, en zal hen van rondom vergaderen, en hen in hun eigen land brengen;

22

En Ik zal hen maken tot één volk in het land, op de bergen Israëls; en één Koning zal over hen allen Koning zijn; en zij zullen niet meer twee volken zijn, noch voortaan nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.

23

En zij zullen zichzelf niet meer verontreinigen met hun afgoden, noch met hun gruwelen, noch met enige van hun overtredingen; maar Ik zal hen verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen; zo zullen zij Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn.

24

En Mijn knecht David zal Koning over hen zijn; en zij allen zullen één Herder hebben; zij zullen ook wandelen in Mijn rechten, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.

25

En zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid; en Mijn knecht David zal hun Vorst zijn tot in eeuwigheid.