Ezechiël 39:21
“En Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenen stellen, en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien dat Ik uitgevoerd heb, en Mijn hand die Ik op hen gelegd heb.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 39 — omringende verzen
En ook de naam van de stad zal zijn: Hamona. Zo zullen zij het land reinigen.
17En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEER: Spreek tot elk gevleugeld gevogelte en tot elk beest des velds: Vergadert u en komt; verzamelt u van alle zijden tot Mijn offer dat Ik voor u offer, een groot offer op de bergen van Israël, opdat u vlees eet en bloed drinkt.
18U zult het vlees der machtigen eten, en het bloed der vorsten der aarde drinken: van rammen, van lammeren, en van bokken, van runderen, allen gemeste dieren van Bashan.
19En u zult vet eten tot u verzadigd bent, en bloed drinken tot u dronken bent, van Mijn offer dat Ik voor u geslacht heb.
20Zo zult u aan Mijn tafel verzadigd worden met paarden en strijdwagens, met machtige mannen en met alle krijgslieden, zegt de Heere HEER.
En Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenen stellen, en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien dat Ik uitgevoerd heb, en Mijn hand die Ik op hen gelegd heb.
Zo zal het huis van Israël weten dat Ik de HEER hun God ben, van die dag af en voortaan.
23En de heidenen zullen weten dat het huis van Israël in ballingschap is gegaan vanwege hun ongerechtigheid; omdat zij tegen Mij overtreden hebben, heb Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen, en hen overgegeven in de hand van hun vijanden; en zij zijn allen gevallen door het zwaard.
24Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gedaan, en Mijn aangezicht voor hen verborgen.
25Daarom zegt de Heere HEER aldus: Nu zal Ik de gevangenen van Jakob wederbrengen, en Mij ontfermen over heel het huis van Israël, en Ik zal ijveren voor Mijn heilige naam.
26Nadat zij hun schande gedragen hebben, en al hun overtredingen waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, toen zij veilig woonden in hun land en niemand hen vrees aanjoeg.