Ezechiël 8:10
“Ik ging dan naar binnen en zag; en zie, allerlei gedaanten van kruipende dieren en gruwelijke beesten en al de afgoden van het huis Israëls stonden rondom op de muur getekend.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 8 — omringende verzen
Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, hef toch uw ogen op naar het noorden. Ik hief mijn ogen op naar het noorden, en zie, ten noorden van de altaarpoort was dit beeld der jaloezie in de ingang.
6Hij zeide verder tot mij: Mensenkind, ziet gij wat zij doen? de grote gruwelen die het huis Israëls hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet wijken? Maar keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien.
7En hij bracht mij naar de ingang van de voorhof; en toen ik keek, zie, er was een gat in de muur.
8Toen zeide hij tot mij: Mensenkind, graaf nu in de muur; en ik groef in de muur, en zie, er was een deur.
9En hij zeide tot mij: Ga naar binnen en zie de goddeloze gruwelen die zij hier bedrijven.
Ik ging dan naar binnen en zag; en zie, allerlei gedaanten van kruipende dieren en gruwelijke beesten en al de afgoden van het huis Israëls stonden rondom op de muur getekend.
En zeventig mannen van de oudsten van het huis Israëls stonden voor hen, en in hun midden stond Jaäzanja, de zoon van Safan, met elk zijn wierookvat in zijn hand; en een dikke wolk van reukwerk steeg op.
12Toen zeide hij tot mij: Mensenkind, hebt gij gezien wat de oudsten van het huis Israëls in het duister doen, elk in de kamers van zijn beeldwerk? Want zij zeggen: De HEER ziet ons niet; de HEER heeft de aarde verlaten.
13Hij zeide ook tot mij: Keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien die zij bedrijven.
14Toen bracht hij mij naar de ingang van de poort van het huis des HEREN die naar het noorden ziet; en zie, daar zaten vrouwen die weenden over Tammuz.
15Toen zeide hij tot mij: Hebt gij dit gezien, mensenkind? Keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien dan deze.