Ezechiël 8:18
“Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid; mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben; al roepen zij ook met luide stem in mijn oren, Ik zal hen toch niet horen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 8 — omringende verzen
Hij zeide ook tot mij: Keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien die zij bedrijven.
14Toen bracht hij mij naar de ingang van de poort van het huis des HEREN die naar het noorden ziet; en zie, daar zaten vrouwen die weenden over Tammuz.
15Toen zeide hij tot mij: Hebt gij dit gezien, mensenkind? Keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien dan deze.
16En hij bracht mij in de binnenste voorhof van het huis des HEREN, en zie, aan de ingang van de tempel des HEREN, tussen de voorhal en het altaar, waren ongeveer vijfentwintig mannen met hun rug naar de tempel des HEREN gekeerd en hun aangezicht naar het oosten; en zij aanbaden de zon naar het oosten.
17Toen zeide hij tot mij: Hebt gij dit gezien, mensenkind? Is het voor het huis van Juda een gering ding dat zij de gruwelen begaan die zij hier begaan? Want zij hebben het land met geweld vervuld en zijn telkens teruggekeerd om Mij te tarten; en zie, zij brengen de tak aan hun neus.
Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid; mijn oog zal niet sparen en Ik zal geen medelijden hebben; al roepen zij ook met luide stem in mijn oren, Ik zal hen toch niet horen.