Ezechiël 8:2
“Toen zag ik, en zie, een gelijkenis als de gedaante van vuur; van de gedaante zijner lendenen naar beneden, vuur; en van zijn lendenen naar boven, als de gedaante van een glinstering, als de kleur van barnsteen.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 8 — omringende verzen
En het geschiedde in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde dag van de maand, terwijl ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mij zaten, dat de hand van de Heere HEER daar op mij viel.
Toen zag ik, en zie, een gelijkenis als de gedaante van vuur; van de gedaante zijner lendenen naar beneden, vuur; en van zijn lendenen naar boven, als de gedaante van een glinstering, als de kleur van barnsteen.
En hij stak de vorm van een hand uit en greep mij bij een lok van mijn hoofd; en de Geest hief mij op tussen de aarde en de hemel en bracht mij in gezichten Gods naar Jeruzalem, naar de ingang van de binnenste poort die naar het noorden ziet, waar het beeld der jaloezie stond, dat tot jaloezie verwekt.
4En zie, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, overeenkomstig het visioen dat ik in de vlakte gezien had.
5Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, hef toch uw ogen op naar het noorden. Ik hief mijn ogen op naar het noorden, en zie, ten noorden van de altaarpoort was dit beeld der jaloezie in de ingang.
6Hij zeide verder tot mij: Mensenkind, ziet gij wat zij doen? de grote gruwelen die het huis Israëls hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet wijken? Maar keer u wederom, en gij zult nog grotere gruwelen zien.
7En hij bracht mij naar de ingang van de voorhof; en toen ik keek, zie, er was een gat in de muur.