Terug naar Ezra 5
VSV
Statenvertaling

Ezra 5:4

Toen zeiden wij aldus tot hen: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw maken?

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 5 — omringende verzen

1

Toen profeteerden de profeten, Haggaï de profeet en Zacharia, de zoon van Iddo, tot de Joden die in Juda en Jeruzalem waren, in de naam van de God van Israël, ja tot hen.

2

Toen stonden Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jeshua, de zoon van Jozadak, op en begonnen het huis van God te bouwen dat te Jeruzalem is; en met hen waren de profeten van God, die hen hielpen.

3

Te dier tijd kwamen tot hen Tatnaï, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sethar-Boznaï en hun metgezellen, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muur op te richten?

4

Toen zeiden wij aldus tot hen: Wat zijn de namen van de mannen die dit gebouw maken?

5

Maar het oog van hun God was over de oudsten der Joden, zodat zij hen niet konden doen ophouden, totdat de zaak voor Darius zou komen; en toen zonden zij een brief terug aangaande deze zaak.

6

Het afschrift van de brief die Tatnaï, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sethar-Boznaï en zijn metgezellen, de Afarsachieten, die aan deze zijde van de rivier waren, aan koning Darius zonden.

7

Zij zonden een brief aan hem, waarin aldus geschreven stond: Aan koning Darius, alle vrede.

8

De koning zij bekend, dat wij gegaan zijn naar het gewest Judea, naar het huis van de grote God, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en hout wordt gelegd in de muren, en dit werk gaat voorspoedig voort en gedijt in hun handen.

9

Toen vroegen wij die oudsten en zeiden aldus tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen en deze muren op te richten?