Terug naar Ezra 9
VSV
Statenvertaling

Ezra 9:8

En nu is er een ogenblik genade geweest van de HEER onze God, om ons een overblijfsel te laten ontkomen en ons een pin te geven op Zijn heilige plaats, opdat onze God onze ogen verlichte en ons een weinig herstel geve in onze dienstbaarheid.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 9 — omringende verzen

3

En toen ik dit hoorde, verscheurde ik mijn kleed en mijn mantel, en trok het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat neergeslagen.

4

Toen vergaderden zich tot mij allen die beefden voor de woorden van de God van Israël, vanwege de overtreding van de ballingen; en ik zat neergeslagen tot het avondoffer.

5

En bij het avondoffer stond ik op uit mijn rouw; en met mijn verscheurd kleed en mijn verscheurde mantel viel ik op mijn knieën en breidde mijn handen uit tot de HEER mijn God.

6

En zeide: O mijn God, ik ben beschaamd en durf mijn aangezicht niet tot U opheffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn over ons hoofd heen gestegen, en onze schuld is opgegroeid tot aan de hemelen.

7

Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op deze dag; en om onze ongerechtigheden zijn wij, onze koningen en onze priesters, overgeleverd in de hand van de koningen der landen, aan het zwaard, aan gevangenschap, aan plundering en aan schaamte des aangezichts, zoals het heden is.

8

En nu is er een ogenblik genade geweest van de HEER onze God, om ons een overblijfsel te laten ontkomen en ons een pin te geven op Zijn heilige plaats, opdat onze God onze ogen verlichte en ons een weinig herstel geve in onze dienstbaarheid.

9

Want wij zijn dienstknechten; maar onze God heeft ons in onze dienstbaarheid niet verlaten, maar heeft ons barmhartigheid bewezen voor het aangezicht van de koningen van Perzië, om ons herstel te geven, het huis van onze God op te richten en de verwoestingen ervan te herstellen, en ons een muur te geven in Juda en in Jeruzalem.

10

En nu, o onze God, wat zullen wij na dit alles zeggen? Want wij hebben Uw geboden verlaten,

11

Die Gij geboden hebt door de hand van Uw knechten, de profeten, zeggende: Het land, waarheen gij gaat om dat in bezit te nemen, is een onrein land door de onreinheid van de volken der landen, door hun gruwelen, waarmede zij het van het ene einde tot het andere met hun onreinheid gevuld hebben.

12

Nu dan, geeft uw dochters niet aan hun zonen, en neemt hun dochters niet voor uw zonen, en zoekt hun vrede of hun welvaart nooit; opdat gij sterk zoudt zijn en het goede van het land zoudt eten en het voor eeuwig als een erfdeel aan uw kinderen zoudt nalaten.

13

En na alles wat over ons gekomen is om onze boze daden en om onze grote schuld, aangezien Gij, onze God, ons minder gestraft hebt dan onze ongerechtigheden verdienen en ons zulk een ontkoming gegeven hebt,