Genesis 17:8
“En Ik zal aan u en aan uw nageslacht na u het land geven, waar gij als vreemdeling in verkeert, het ganse land Kanaän, tot een eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 17 — omringende verzen
En Abram viel op zijn aangezicht; en God sprak met hem, zeggende:
4Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u, en gij zult een vader van vele volken zijn.
5En uw naam zal voortaan niet meer Abram heten, maar uw naam zal Abraham zijn; want Ik heb u gesteld tot een vader van vele volken.
6En Ik zal u uitermate vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht na u, in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht na u tot een God te zijn.
En Ik zal aan u en aan uw nageslacht na u het land geven, waar gij als vreemdeling in verkeert, het ganse land Kanaän, tot een eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
En God zeide tot Abraham: Gij dan zult Mijn verbond houden, gij en uw nageslacht na u, in hun geslachten.
10Dit is Mijn verbond, dat gij houden zult, tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wat mannelijk is onder u zal besneden worden.
11En gij zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.
12En wie acht dagen oud is, zal onder u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten, hij die in huis geboren is, of met geld gekocht is van enige vreemdeling, die niet van uw nageslacht is.
13Hij die in uw huis geboren is en hij die met uw geld gekocht is, moet zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees tot een eeuwig verbond.