Genesis 24:55
“En haar broeder en haar moeder zeiden: Laat de jongedochter nog enkele dagen bij ons blijven, tenminste tien; daarna zal zij gaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 24 — omringende verzen
Toen antwoordden Laban en Bethuel en zeiden: De zaak komt van de HEER voort: wij kunnen tot u niet kwaad noch goed spreken.
51Zie, Rebekka is voor u, neemt haar en gaat heen, en laat haar de vrouw zijn van de zoon van uw heer, gelijk de HEER gesproken heeft.
52En het geschiedde, dat toen de dienaar van Abraham hun woorden hoorde, hij zich ter aarde boog en de HEER aanbad.
53En de dienaar bracht zilveren sieraden en gouden sieraden en klederen te voorschijn, en gaf ze aan Rebekka: hij gaf ook aan haar broeder en aan haar moeder kostbare gaven.
54En zij aten en dronken, hij en de mannen die bij hem waren, en bleven de nacht over; en zij stonden des morgens vroeg op, en hij zei: Zendt mij heen naar mijn heer.
En haar broeder en haar moeder zeiden: Laat de jongedochter nog enkele dagen bij ons blijven, tenminste tien; daarna zal zij gaan.
En hij zei tot hen: Houdt mij niet op, omdat de HEER mijn weg voorspoedig gemaakt heeft; zendt mij heen, opdat ik naar mijn heer gaan moge.
57En zij zeiden: Wij zullen de jongedochter roepen en haar mond raadplegen.
58En zij riepen Rebekka en zeiden tot haar: Wilt gij met deze man meegaan? En zij zei: Ik zal gaan.
59En zij zonden hun zuster Rebekka weg, en haar voedster, en de dienaar van Abraham, en zijn mannen.
60En zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: Gij zijt onze zuster, wees de moeder van duizenden van tienduizenden, en uw zaad bezitte de poort van zijn vijanden.