Genesis 26:3
“Verblijf als vreemdeling in dit land, en Ik zal met u zijn en u zegenen; want aan u en aan uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 26 — omringende verzen
En er was een hongersnood in het land, behalve de eerste hongersnood die er was in de dagen van Abraham. En Izak ging naar Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar.
2En de HEER verscheen hem en zei: Daal niet af naar Egypte; woon in het land dat Ik u zeggen zal.
Verblijf als vreemdeling in dit land, en Ik zal met u zijn en u zegenen; want aan u en aan uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.
En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en aan uw zaad zal Ik al deze landen geven; en in uw zaad zullen alle volken der aarde gezegend worden,
5omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft, en Mijn wacht, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten onderhouden heeft.
6En Izak woonde in Gerar.
7En de mannen van die plaats vroegen hem naar zijn vrouw; en hij zei: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen: Zij is mijn vrouw; anders, dacht hij, zouden de mannen van die plaats mij doden om Rebekka, want zij was schoon van aanzien.
8En het geschiedde, toen hij daar een lange tijd geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, door een venster keek, en zag, en zie, Izak koesterde zich met Rebekka, zijn vrouw.