Terug naar Genesis 27
VSV
Statenvertaling

Genesis 27:36

En hij zeide: Is het niet terecht, dat men hem Jakob noemt? Want hij heeft mij nu tweemaal bedrogen: mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen. En hij zeide: Hebt gij dan voor mij geen zegen bewaard?

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 27 — omringende verzen

31

En hij had ook een smakelijk gerecht bereid en bracht het tot zijn vader, en zeide tot zijn vader: Laat mijn vader opstaan en eten van het wild van zijn zoon, opdat uw ziel mij zegene.

32

En Isaak zijn vader zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.

33

En Isaak beefde met een uitermate hevig beven, en zeide: Wie? Waar is hij die wild heeft geschoten en het mij heeft gebracht, en ik heb van alles gegeten voor gij kwaamt, en ik heb hem gezegend? Ja, en hij zal gezegend blijven.

34

En toen Esau de woorden van zijn vader hoorde, schreeuwde hij met een groot en uitermate bitter geschreeuw, en zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader.

35

En hij zeide: Uw broeder is met bedrog gekomen en heeft uw zegen weggenomen.

36

En hij zeide: Is het niet terecht, dat men hem Jakob noemt? Want hij heeft mij nu tweemaal bedrogen: mijn eerstgeboorterecht heeft hij weggenomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen weggenomen. En hij zeide: Hebt gij dan voor mij geen zegen bewaard?

37

En Isaak antwoordde en zeide tot Esau: Zie, ik heb hem tot uw heer gesteld, en al zijn broederen heb ik hem tot dienaren gegeven; en met koren en wijn heb ik hem verzorgd; en wat zal ik dan voor u doen, mijn zoon?

38

En Esau zeide tot zijn vader: Hebt gij slechts één zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader. En Esau verhief zijn stem en weende.

39

En zijn vader Isaak antwoordde en zeide tot hem: Zie, uw woning zal zijn van de vruchtbaarheid der aarde en van de dauw des hemels van boven;

40

En van uw zwaard zult gij leven, en uw broeder zult gij dienen; maar het zal geschieden, wanneer gij de heerschappij voert, dat gij zijn juk van uw hals zult afschudden.

41

En Esau haatte Jakob om de zegen waarmede zijn vader hem gezegend had; en Esau zeide in zijn hart: De dagen van rouw over mijn vader naderen; dan zal ik mijn broeder Jakob doden.