Genesis 28:2
“Maak u op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw van de dochters van Laban, de broeder van uw moeder.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 28 — omringende verzen
En Isaak riep Jakob en zegende hem en gebood hem, en zeide tot hem: Gij zult geen vrouw nemen van de dochters van Kanaän.
Maak u op, ga naar Paddan-Aram, naar het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw van de dochters van Laban, de broeder van uw moeder.
En God de Almachtige zegene u en make u vruchtbaar en vermenigvuldige u, zodat gij een menigte van volken wordt;
4En geve u de zegen van Abraham, aan u en aan uw nageslacht met u; opdat gij het land beërft, waarin gij als vreemdeling verkeert, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.
5En Isaak zond Jakob weg; en hij ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Bethuël de Syriër, de broeder van Rebekka, de moeder van Jakob en Esau.
6Toen Esau zag dat Isaak Jakob gezegend en hem naar Paddan-Aram gezonden had om van daar een vrouw te nemen, en dat hij hem, toen hij hem zegende, een gebod gaf en zeide: Gij zult geen vrouw nemen van de dochters van Kanaän;
7En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaamde, en naar Paddan-Aram gegaan was;