Genesis 29:2
“En hij zag toe, en zie, er was een put in het veld, en zie, daar lagen drie kudden schapen daarbij; want uit die put drenkten zij de kudden, en er was een grote steen op de mond van de put.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 29 — omringende verzen
Toen trok Jakob op zijn reis verder, en kwam in het land van de bewoners van het oosten.
En hij zag toe, en zie, er was een put in het veld, en zie, daar lagen drie kudden schapen daarbij; want uit die put drenkten zij de kudden, en er was een grote steen op de mond van de put.
En daarheen werden al de kudden verzameld, en zij rolden de steen van de mond van de put, en drenkten de schapen, en zetten de steen weer op de mond van de put, op zijn plaats.
4En Jakob zeide tot hen: Mijn broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
5En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
6En hij zeide tot hen: Gaat het wel met hem? En zij zeiden: Het gaat wel met hem; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
7En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag, het is nog geen tijd dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt ze.