Genesis 42:36
“En Jakob hun vader zeide tot hen: Gij berooft mij van mijn kinderen: Jozef is er niet meer, en Simeon is er niet meer, en Benjamin wilt gij wegnemen; dit alles is tegen mij.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 42 — omringende verzen
En wij zeiden tot hem: Wij zijn eerlijke lieden, wij zijn geen spionnen.
32Wij zijn twaalf broeders, zonen van onze vader; één is er niet meer, en de jongste is heden bij onze vader in het land Kanaän.
33En de man, de heer van het land, zeide tot ons: Hieraan zal ik weten dat gij eerlijke lieden zijt; laat één van uw broeders hier bij mij achter, neemt voedsel voor de honger van uw huisgezinnen en vertrekt.
34En brengt uw jongste broeder tot mij; dan zal ik weten dat gij geen spionnen zijt, maar eerlijke lieden; zo zal ik u uw broeder teruggeven en zult gij in het land handel drijven.
35En het geschiedde, toen zij hun zakken leegmaakten, dat zie, het bundeltje geld van ieder in zijn zak was; en toen zowel zij als hun vader de bundeltjes geld zagen, werden zij bevreesd.
En Jakob hun vader zeide tot hen: Gij berooft mij van mijn kinderen: Jozef is er niet meer, en Simeon is er niet meer, en Benjamin wilt gij wegnemen; dit alles is tegen mij.
En Ruben sprak tot zijn vader: Dood mijn twee zonen, indien ik hem niet tot u breng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem tot u terugbrengen.
38Maar hij zeide: Mijn zoon zal niet met u meegaan, want zijn broeder is dood en hij is alleen overgebleven; indien hem een ongeluk overkomt op de weg die gij gaat, dan zult gij mijn grijze haren met droefheid in het graf doen nederdalen.