Genesis 45:3
“En Jozef zei tot zijn broeders: Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren ontsteld voor zijn aangezicht.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 45 — omringende verzen
Toen kon Jozef zich niet langer bedwingen voor allen die bij hem stonden; en hij riep: Laat ieder van mij weggaan. En er stond niemand bij hem, terwijl Jozef zichzelf aan zijn broeders bekendmaakte.
2En hij weende luide: en de Egyptenaren en het huis van Farao hoorden het.
En Jozef zei tot zijn broeders: Ik ben Jozef; leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren ontsteld voor zijn aangezicht.
En Jozef zei tot zijn broeders: Komt toch nader tot mij. En zij kwamen nader. En hij zei: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.
5Nu dan, weest niet bedroefd, en zijt niet toornig op uzelf, omdat gij mij hierheen verkocht hebt: want God heeft mij voor u uitgezonden om het leven te behouden.
6Want deze twee jaren is de hongersnood in het land geweest: en er zijn nog vijf jaren, waarin geen ploegen noch oogsten zal zijn.
7En God heeft mij voor u uitgezonden om u een nageslacht te bewaren op de aarde, en om uw leven te redden door een grote verlossing.
8Zo zijt gij het niet die mij hierheen gezonden hebt, maar God: en Hij heeft mij gesteld tot een vader voor Farao, en tot heer over zijn gehele huis, en tot een heerser over heel het land Egypte.