Terug naar Genesis 46
VSV
Statenvertaling

Genesis 46:29

En Jozef liet zijn wagen inspannen en trok op om zijn vader Israël tegemoet te gaan naar Gosen; en hij vertoonde zich aan hem, en viel hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 46 — omringende verzen

24

En de zonen van Naftali: Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem.

25

Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had, en zij baarde dezen aan Jakob: al de zielen waren zeven.

26

Al de zielen die met Jakob naar Egypte kwamen, die uit zijn lendenen waren voortgekomen, behalve de vrouwen van Jakobs zonen, al de zielen waren zesenzestig.

27

En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren waren, waren twee zielen: al de zielen van het huis van Jakob, die naar Egypte kwamen, waren zeventig.

28

En hij zond Juda vóór zich uit naar Jozef, om de weg voor hem te bereiden naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.

29

En Jozef liet zijn wagen inspannen en trok op om zijn vader Israël tegemoet te gaan naar Gosen; en hij vertoonde zich aan hem, en viel hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals.

30

En Israël zei tot Jozef: Nu kan ik sterven, nu ik uw aangezicht gezien heb, want gij leeft nog.

31

En Jozef zei tot zijn broeders en tot het huis van zijn vader: Ik zal opgaan en het Farao berichten en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.

32

En de mannen zijn herders, want hun bedrijf is het hoeden van vee; en zij hebben hun schapen en hun runderen en al wat zij hebben meegebracht.

33

En het zal geschieden, wanneer Farao u roept en zegt: Wat is uw bedrijf?

34

Dat gij zult zeggen: Uw knechten hebben van onze jeugd af tot nu toe vee gehoed, wij zowel als onze vaderen; opdat gij in het land Gosen moogt wonen, want elke herder is een gruwel voor de Egyptenaren.