Genesis 8:1
“En God gedacht aan Noach, en aan al de levende wezens en aan al het vee dat bij hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde gaan, en de wateren bedaarden.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 8 — omringende verzen
En God gedacht aan Noach, en aan al de levende wezens en aan al het vee dat bij hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde gaan, en de wateren bedaarden.
Ook werden de bronnen van de grote diepte en de vensters des hemels gesloten, en de regen uit de hemel werd tegengehouden.
3En de wateren trokken geleidelijk terug van de aarde; en na het verstrijken van honderdvijftig dagen namen de wateren af.
4En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, op de bergen van Ararat.
5En de wateren namen voortdurend af tot de tiende maand; in de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen der bergen zichtbaar.
6En het geschiedde na veertig dagen, dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opende.