Terug naar Genesis 8
VSV
Statenvertaling

Genesis 8:17

Breng met u alle levende wezens die bij u zijn, van al het vlees: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt; opdat zij overvloedig wemelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen op de aarde.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 8 — omringende verzen

12

En hij wachtte nog zeven andere dagen, en zond de duif uit; maar zij keerde niet meer tot hem terug.

13

En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op de eerste dag der maand, dat de wateren van de aarde opgedroogd waren; en Noach verwijderde het deksel van de ark en keek, en zie, het oppervlak van de aardbodem was droog.

14

En in de tweede maand, op de zeven en twintigste dag der maand, was de aarde geheel droog.

15

En God sprak tot Noach en zeide:

16

Ga uit de ark, gij en uw vrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.

17

Breng met u alle levende wezens die bij u zijn, van al het vlees: het gevogelte, het vee en al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt; opdat zij overvloedig wemelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en zich vermenigvuldigen op de aarde.

18

En Noach ging uit, en zijn zonen, en zijn vrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.

19

Alle dieren, al het kruipend gedierte en al het gevogelte, al wat op de aarde kruipt, naar hun soorten, gingen uit de ark.

20

En Noach bouwde een altaar voor de HEER, en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte, en bracht brandoffers op het altaar.

21

En de HEER rook een lieflijke geur; en de HEER zeide in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken om de mens, want het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, zoals Ik gedaan heb.

22

Zolang de aarde bestaat, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.