Handelingen 19:38
“Indien Demetrius dan en de ambachtslieden die met hem zijn, een zaak hebben tegen iemand, de rechtbanken zijn open en er zijn stadhouders; laten zij elkander aanklagen.”
Kruisverwijzingen
Context
Handelingen 19 — omringende verzen
En zij trokken Alexander uit de menigte, de Joden hem naar voren duwende. En Alexander wenkte met zijn hand en wilde zijn verdediging aan het volk doen.
34Maar toen zij wisten dat hij een Jood was, riepen zij allen met één stem, ongeveer twee uur lang: Groot is Diana der Efeziërs.
35En toen de stadsschrijver de menigte gestild had, zeide hij: Mannen van Efeze, wie is er die niet weet dat de stad der Efeziërs een aanbidster is van de grote godin Diana en van het beeld dat uit de hemel gevallen is?
36Daar deze dingen dan niet tegengesproken kunnen worden, behoort gij stil te zijn en niets ondoordachts te doen.
37Want gij hebt deze mannen hierheen gebracht, die noch tempelrovers zijn, noch uw godin lasteren.
Indien Demetrius dan en de ambachtslieden die met hem zijn, een zaak hebben tegen iemand, de rechtbanken zijn open en er zijn stadhouders; laten zij elkander aanklagen.
Maar indien gij iets over andere zaken te onderzoeken hebt, zal het in een wettige vergadering beslist worden.
40Want wij lopen gevaar aangesproken te worden over het oproer van deze dag, aangezien er geen reden is waarmee wij rekenschap kunnen geven van dit samenscholen.
41En nadat hij dit gezegd had, ontbond hij de vergadering.